HOME / COLUMNS / Nederland moet niet lijdzaam…

COLUMNS / 13 december 2019

Nederland moet niet lijdzaam toezien hoe ongelijkheid groeit door Amerikaanse IT-giganten

Het jaar 1980 was een keerpunt: tot 1980 bewoog de wereld naar links, sindsdien naar rechts

Na overwinning op Japan en Duitsland in 1945 stonden de geallieerden voor de vraag hoe de naoorlogse economie in te richten. Er werd gekozen voor een geleid kapitalisme, waarin markwerking en vrijhandel hand in hand gingen met de opbouw van de verzorgingsstaat. Vakbonden hadden wereldwijd grote invloed (ook in de Verenigde Staten!). Dit compromis tussen sociaal en kapitaal was aanvankelijk een weergaloos succes. De welvaart steeg, de inkomensverschillen namen af. Totdat het systeem in de jaren zeventig begon te haperen. Toen kwamen Ronald Reagan, Margaret Thatcher en Ruud Lubbers en maakte de geschiedenis een haakse bocht. Weliswaar werd de hapering in de groeimotor verholpen, maar de inkomensongelijkheid nam weer toe. Het winstaandeel steeg, beloningsverschillen tussen hoger en lager opgeleiden groeiden. De kiemen voor Thomas Piketty’s Capital in the Twenty-First Century werden toen gezaaid. Het jaar 1980 lijkt dus een keerpunt te zijn geweest: tot 1980 bewoog de wereld naar links, sindsdien beweegt ze naar rechts. Een spraakmakend paper van de economen, Jan Eeckhout, Jan de Loecker en Gabriel Unger, bevestigt deze visie. Zij hebben de naoorlogse ontwikkeling van de winstmarge van beursgenoteerde bedrijven in de VS geanalyseerd. Van 1950 tot 1980 is er weinig aan de hand. De gemiddelde winstmarges fluctueerden rond 20%. Vanaf 1980 nemen zij echter explosief toe, tot zo’n 60% vandaag de dag. Volgens de auteurs is die stijging niet toe te schrijven aan een enkele bedrijfstak, maar heeft ze overal plaatsgevonden.

IT-REVOLUTIE

De analyse van Eeckhout, De Loecker en Unger ondersteunt het beeld van een monocausale stoomwals die sinds 1980 onverstoorbaar voortrolt. Wie echter om zich heen kijkt ziet iets anders: vooral de IT-revolutie zet markten op zijn kop. Informatie over je klanten is tegenwoordig de sleutel tot commercieel succes. Die informatie is meer en meer in handen van een paar bedrijven. Student Ellen van ’t Klooster (Universiteit Utrecht) heeft in een recent paper de data van Eeckhout, De Loecker en Unger opnieuw onder de loep genomen. Ze ging niet uit van de standaard bedrijfstakclassificatie zoals die door statistische bureaus wordt gebruikt (dan valt bijvoorbeeld Amazon buiten de boot), maar ze keek naar de omschrijving van de bedrijfsactiviteiten door analisten. Zo kon zij een veel scherper onderscheid maken tussen IT- en traditionele bedrijven. Haar conclusies geven een heel ander beeld. De periode sinds 1980 blijkt bij nadere beschouwing in twee episodes uiteen te vallen. De eerste episode, de jaren tachtig van de vorige eeuw, werd inderdaad bepaald door Reagans agenda van deregulering en privatisering. In die tijd nam ook in Nederland de ongelijkheid toe. Met IT-bedrijven was toen niets bijzonders aan de hand. Integendeel: IBM verloor juist in die tijd zijn voordien ongekende marktmacht. Na de eeuwwisseling is het echter louter IT dat de klok slaat. De winstmarge in de IT-sector stijgt van 50% naar 90% vandaag de dag. Het spoort met de verhalen van veel ondernemers: zij zijn een steeds groter deel van hun omzet kwijt aan Facebook, Apple en Google. Voor hun marketing zijn ze van hen afhankelijk. Dit verklaart een ander verschijnsel. Veelal wordt gedacht dat de toename van de ongelijkheid een wereldwijd fenomeen is. Dat is echter twijfelachtig. Afgaande op de beschikbare data steken de VS met kop en schouders boven andere hoogontwikkelde landen uit. In Nederland zijn de inkomensverschillen sinds 1990 ongeveer gelijk gebleven. Dat klopt, want de IT-revolutie wordt nagenoeg volledig door Amerikaanse bedrijven gedomineerd. Van de vijftien rijkste wereldburgers hebben zeven hun vermogen met IT vergaard; alle zeven zijn Amerikaan en drie van hen zijn jonger dan vijftig jaar. Europa moet zich schamen dat het tijdens de IT-revolutie als toeschouwer aan de kant heeft gestaan. Het geeft te denken over de innovatiekracht van Europa. Maar die toeschouwersrol heeft één voordeel: de explosie van ongelijkheid zoals Amerika die sinds 2000 heeft gekend, die explosie is aan Europa goeddeels voorbijgegaan. Wat moet Europa nu doen? Ik laat de innovatiekracht hier rusten, voer voor toekomstige bijdragen. Waar het nu om gaat is dat wij ons door de toegenomen marktmacht van Amerikaanse techgiganten niet de kaas van het brood laten eten. De winsten van de IT- giganten zijn niet zo eenvoudig te belasten. Bedrijven kunnen die gemakkelijk elders laten neerslaan en dus houden landen hun belastingtarief laag. De omzetbelasting is echter een prima alternatief. Wat dat betreft is het NRC-artikel ‘Hoe Airbnb toch weer aan het langste eind trekt’ nuttige stof ( NRC 4 december). Het beschrijft in detail hoe Airbnb het voor elkaar krijgt dat het geen informatie over de aanbieders van huurappartementen hoeft te delen, noch met de gemeente (voor de handhaving van verhuurregels), noch met de Belastingdienst. Waar Nederlandse banken miljoenenboetes krijgen omdat ze niet het naadje van de kous van hun klanten weten en waar de Belastingdienst mijn belastingformulier nagenoeg zonder mijn hulp kan invullen op basis van informatie die derden verplicht aan de belastingdienst moeten leveren, daar komt Airbnb ermee weg hun klanten van de naleving van de belastingwetgeving te vrijwaren met een beroep op hun privacy. Voor mijn aankopen bij Amazon geldt hetzelfde. Ik ben vooral verwonderd: dit is toch een respectabel Nederlands en Europees belang? Wat weerhoudt de overheid er dan van om dat goed te regelen? 

Coen Teulings, 13 december 2019