Bijlage bij column FD 6 september 2019
Boven op
mijn intellectuele rommelzolder is het een prettige chaos. In een hoekje liggen
een paar briljantjes te verstoffen. Ze moeten dringend worden afgenomen. Elders
ligt een stapel wetenswaardigheden geduldig te wachten op archivering in de
juiste hangmap. Ongetwijfeld liggen tussen al die prachtige inzichten ook
inconsistenties en vooroordelen. Ik weet echter niet welke dat zijn, want dan
had ik ze al lang opgeruimd. Want ik probeer mijn zolder wel aan kant te
houden. In een hoek van de zolder staat een pedaalemmer. Steeds als ik mijzelf
op een denkfout betrap, drukt mijn voet genadeloos op het pedaal en verdwijnt
de drogredenering in het vuilnisvat.
Deze
voortdurende opruim-woede in mijn intellectuele bovenkamer schiet door mijn
hoofd bij de discussie over het lage-rente-beleid en het opkopen van
overheidsobligaties door ECB. Ik word daarop vaak aangesproken door vrienden en
bekenden. Ook op twitter wordt er voortdurend over gediscussieerd. De
redenering van de vragenstellers gaat meestal ongeveer als volgt:
“We kunnen ons inderdaad voorstellen dat de
lage rente vooral het gevolg is van het grote spaaroverschot dat ontstaat door de
vergrijzing, zoals u in columns zo vaak hebt benadrukt, en niet in eerste
instantie het gevolg is van het beleid van de ECB. Maar als dat dan zo is, wat
is dan het nut dat de ECB massaal staatsobligaties opkoopt en daarmee de
kapitaalmarkt overspoelt met een nog groter aanbod van kapitaal? Maakt de ECB
de problemen daarmee niet juist erger?”
De
verwarring van de vragenstellers is begrijpelijk. Het economieonderwijs van de
jaren zeventig en tachtig, zowel op de middelbare school als op universiteiten,
geeft daar alle aanleiding toe. Dat onderwijs zet de vragenstellers op het
verkeerde been. Zij redeneren vanuit de kwantiteitstheorie van de vraag naar
geld. Die theorie mag misschien relevant zijn geweest toen munten en bankbiljetten
(chartaal geld) nog een centrale rol speelden en het wekelijks loonzakje daarmee
werd gevuld. Het chartale geld is tegenwoordig echter bijna geheel vervangen
door giraal geld. De kwantiteitstheorie kan daarom met pensioen. De moderne
economische theorie kijkt naar de samenstelling van onze beleggingsportefeuille.
Het is dus hoog tijd voor opruiming in onze intellectuele bovenkamer.
Dit stuk
bouwt voort op mijn boek “Over de Dijken”. De conversaties tussen de Keizerin
van het Rijsteiland en Vicevoorzitter van de Hoge Raad der Wijzen bieden een
goede achtergrond voor dit stuk, met name hoofdstuk 5 (“Proeftuin Japan”, over
de gevolgen van vergrijzing) en hoofdstuk 7 (“Whatever it takes”, over het
beleid van de ECB).
Ik vat de
voornaamste conclusies van beide hoofdstukken hieronder in enkele zinnen samen.
Kortheidshalve ga ik als een olifant door de porseleinkast en laat ik allerlei
relevante details onbesproken. De daling van de geboortecijfers in de jaren
zeventig leidt nu – bijna 50 jaar later – tot een groot aanbod op de
kapitaalmarkt: de grote cohorten uit de geboortegolf leggen massaal geld opzij
voor hun pensioen. Dat drukt de evenwichtsrente. Die is momenteel zelfs negatief.
De daling van de rente is een wereldwijde trend die nu al dertig jaar gaande is.
Het is de rol van de ECB om de daarbij passend beleidsrente te vinden. Want als
ze dat niet doet, dan krimpt de economie zodat de besparingen afnemen totdat
het evenwicht op de kapitaalmarkt is hersteld. Bij het vinden van een passende
beleidsrente ontstaat een probleem: de korte rente kan niet te ver onder nul
zakken, want dan zetten mensen hun geld niet meer op de bank, maar stoppen het in
een oude sok. Alle centrale banken in de wereld zijn de afgelopen tien jaar met
dit probleem geconfronteerd. Ze hebben daar een provisorische oplossing voor
gevonden: de lange rente is meestal hoger dan de korte rente. Als de korte
rente niet verder verlaagd kan worden, dan is er nog wel ruimte bij de lange
rente. Die ruimte hebben centrale bankiers de afgelopen jaren benut door
massaal overheidsobligaties op te kopen, waardoor ook de lange rente nu onder
nul ligt.
Tot zover de
korte samenvatting. Nu terug naar de centrale vraag van dit artikel:
Leidt het opkoopbeleid van de ECB
niet tot een vergroting van aanbod van kapitaal, juist in een situatie waar
ouderen al zoveel sparen?
Zoals
gezegd, is de bron van de intellectuele verwarring de kwantiteitstheorie van
geld. Die theorie gaat ongeveer als volgt. Als u geld wil sparen dan zet u dat
op een spaarrekening, waar u rente over krijgt. U laat het daar zolang mogelijk
op staan, want dan krijgt u zoveel mogelijk rente. Pas als u iets wil gaan
kopen, dan neemt u uw tegoed op uw spaarrekening op en zet dat om in geld in uw
portemonnee. Geld is in deze visie de noodzakelijke tussenstap tussen een
spaartegoed en deze of gene aan- of verkoop. De beeldspraak wil dat het geld brandt
in uw portemonnee, omdat zolang het daar zit u er geen rente over ontvangt.
Volgens die theorie is de rentestand dus de prijs van het aanhouden van geld (u
loopt immers rente mis).
De theorie
werkte misschien nog in een wereld waarin er een scherp onderscheid was tussen
chartaal en giraal geld. Het chartale geld was het geld dat brandde in uw
portemonnee, het girale geld was uw tegoed, het appeltje voor de dorst voor
later, waarover u vanwege uw deugdzame spaarzin een rentevergoeding kreeg. Het chartale
geld was er voor uw dagelijkse transacties. Het girale geld was de bewaarplaats
voor vermogen ten behoeve van consumptie morgen. Die theorie is nooit echt
bevredigend geweest, maar tegenwoordig al helemaal niet meer. We wikkelen
steeds meer transacties giraal af, de rol van chartaal geld wordt alsmaar
kleiner. Over het tegoed op uw rekening courant kunt u in principe gewoon rente
krijgen. De kwantiteitstheorie, waarbij de rente werd opgevat als het
prijsverschil tussen geld waarmee u transacties kunt doen en geld op een
spaarrekening, is dus achterhaald. Voet op het gaspedaal van uw vuilnisemmer,
want daar hoort deze notie thuis.
In feite is er
geen scherp onderscheid tussen geld waarmee u transacties kunt doen en
spaartegoeden met langere looptijd die u achter de hand houdt als appeltje voor
de dorst. De handigste manier om na te denken over al deze financiële activa – contant
geld, spaarrekeningen, drie-maands-deposito’s, of 10-jaars overheidsobligaties
– is als opslagplaats van vermogen voor toekomstige consumptie: uw pensioen
over 20 jaar, de aanschaf van een nieuwe auto volgende jaar, of een
veiligheidskas voor als onverhoopt de koelkast het begeeft. De rente die u voor
al deze verschillende activa ontvangt loopt uiteen. Over het algemeen geldt:
hoe langer u uw geld vastlegt, des te hoger de rente. Maar is er een principieel
onderscheid tussen al die vormen om vermogen op te slaan voor de toekomst? Nee,
dat is er niet. Ook al heeft u uw spaartegoed voor langere tijd vastgelegd, u
kunt er nagenoeg altijd weer aankomen. U moet hoogstens een boeterente betalen.
Deze stap gaat
u te ver? Uw middelbare schoolwijsheid ligt u te na aan het hart en u wil daar
omwille van dit – toch wel erg theoretische – betoog, vooralsnog geen afstand
van doen? Dan is het goed om u te realiseren dat het CPB al meer dan 40 jaar
geen geldhoeveelheid meer in zijn model heeft, en dat de DNB dat nog wel heeft,
maar dat de vergelijkingen waar die in voorkomen al jarenlang “uit” zijn gezet,
omdat ze alleen maar tot ellende leiden. Voet op het pedaal, in de vuilnisbak
het idee van een strikt onderscheid tussen geld en deposito’s. Het zijn
allemaal opslagplaatsen van vermogen.
Voor de
discussie is het behulpzaam om uw directe leefwereld te verlaten waarin de bank
de precieze voorwaarden bepaalt voor het opnemen van uw drie-maands-deposito,
en de aandacht te verleggen naar professionele partijen die toegang hebben tot
de kapitaalmarkt. De condities van de bank voor uw deposito’s zijn uiteindelijk
een vertaling van de rentevergoedingen die de kapitaalmarkt aan deze
professionele partijen biedt, met een flinke afslag vanwege de schaalnadelen
van al uw kleine transacties. Op de kapitaalmarkt zijn voor professionele
beleggers als opslagplaats van vermogen voor toekomstige consumptie overheidsobligaties
te koop met alle denkbare looptijden. Ze kunnen daar even gemakkelijk weer worden
verkocht. Die markt is – zeker voor Duitse, maar ook voor Nederlandse
obligaties – zeer liquide: het prijsverschil tussen aan- en verkoop van zo’n
obligatie is verwaarloosbaar. Als een professionele partij geld nodig heeft voor
deze of gene aankoop, dan kan zij dus tegen zeer geringe transactiekosten een
obligatie uit haar portefeuille verkopen, onafhankelijk van de looptijd. Vanuit
dat gezichtspunt kunnen gewone transacties dus even goed worden afgewikkeld in
overheidsobligaties met een looptijd van dertig jaar als met geld op een
rekening courant met een rentelooptijd van nul jaar.
Dit roept de
vraag op waarom professionele partijen überhaupt nog vermogen opslaan in
kortlopende obligaties. Die leveren immers minder rente op. Waarom niet alle vermogen
gestopt in obligaties met de langst mogelijke looptijd, zodat de hoogst
mogelijke rentevergoeding kan worden opgestreken? Als de nood aan de man komt en
er onverwacht een aankoop moet worden gedaan, dan kan een dergelijke obligatie
immers altijd weer worden verkocht om de koop daarmee te financieren. In een
wereld zonder onzekerheid zou dit waar zijn. Iedereen zou gaan voor de hoogste
rente en dus de langste looptijden. Er zou geen markt zijn voor obligatie met
kortere looptijden. De renteverschillen tussen looptijden zouden verdwijnen. De
rentecurve – de relatie tussen rente en de resterende looptijd – zou volledig
vlak worden.
We hebben
dus een ingewikkelder model nodig om de werkelijkheid te kunnen begrijpen, een
model waarin wel ruimte is voor onzekerheid over de toekomst, met name
onzekerheid over de toekomstige rente. Stel dat de rentecurve plotseling een
procent omhooggaat: voor alle looptijden stijgt de rente met één procent. Als u
een obligatie met een looptijd van 10 jaar in uw portefeuille heeft, dan is die
obligatie plotseling 10% minder waard, want een nieuwe 10-jaars obligatie zou
10 jaar lang één procent meer opbrengen. Bij een rentedaling gebeurt overigens
precies het omgekeerde: de koersen van obligaties gaan dan juist omhoog. Hoe
langer de looptijd van de obligatie, hoe groter het koersrisico, want des te
sterker varieert de prijs in reactie op variaties in de rentecurve. Dit verklaart
waarom de lange rente hoger ligt dan de korte, of anders gezegd, waarom de rentecurve
een stijgend verloop heeft: beleggers zijn risico-avers en willen dus een
vergoeding voor het renterisico op obligaties met een langere looptijd.
Deze theorie
voldoet echter niet helemaal. Zij definieert risico als het prijsrisico bij
verkoop van de obligatie morgen. Voor veel partijen is dat echter niet de
juiste risicomaat. Stel u beheert een pensioenfonds dat over 20 jaar aan zijn
deelnemers een pensioen van een miljoen euro moet betalen. Het koersrisico in
de tussenliggende periode is voor u irrelevant, u bent alleen geïnteresseerd in
de vraag hoeveel geld u over 20 jaar precies in handen heeft. Die zekerheid
krijgt u door een obligatie van een betrouwbare overheid te kopen met een
looptijd van 20 jaar. U mist daarmee de kans op een onverwachte rentestijging,
maar u bent daarmee verzekerd tegen het risico van een onverwachte rentedaling
(dit risico moet veel pensioenfondsbestuurders dezer dagen bekend voorkomen; de
Nederlandse geloofsovertuiging dat de rente zou gaan stijgen heeft veel
bestuurders op het verkeerde been gezet).
Maar stel nu
dat u geen pensioenfondsbestuurder bent, maar gewoon volgend jaar een auto wil
kopen. Dan is een 20-jaars-obligatie een riskante belegging, want als de rente
onverwacht stijgt dan daalt die obligatie in waarde en kunt u uw nieuwe auto
niet meer betalen. Hetzelfde geldt voor de burger die een potje achter de hand
houdt voor het geval haar ijskast het begeeft. Het appeltje voor de dorst wil zij
liefst beschermd zien tegen onverwachte waarde-fluctuaties. Wat een obligatie
met een laag risico is hangt dus af van uw beleggingshorizon: voor uw pensioen
zijn dat langlopende obligaties, voor de aankoop van uw auto is dat een
korte-termijn deposito of zelfs geld op een rekening courant.
Er zijn daarom
twee redenen waarom de rente varieert al naar gelang de looptijd van de
obligatie. Ten eerste: als de markt verwacht dat de rente zal gaan stijgen, dan
zullen beleggers alleen langlopende obligaties willen kopen als ze daar nu
alvast een hogere rentevergoeding voor krijgen, zodat ze bij voorbaat zijn
ingedekt tegen dit risico. Echter, de verwachting dat de rente gaat stijgen kan
niet de reden zijn waarom de lange rente bijna altijd hoger ligt dan de korte
rente. De rente kan immers niet alsmaar stijgen, dus kan de markt ook niet
alsmaar verwachten dat dit gaat gebeuren, en dus kan dit niet verklaren waarom
de lange rente bijna altijd hoger is dan de korte rente.
Er is echter
een tweede reden waarom rente varieert naar gelang de looptijd: vraag en aanbod
van kapitaal met verschillende looptijden. Er is veel vraag naar kapitaal met
een lange rentelooptijd, bijvoorbeeld omdat mensen bij hun hypotheken niet
verrast willen worden door een plotselinge rentestijging, en er is veel aanbod
van kapitaal met een korte rentelooptijd, van mensen die binnenkort een auto
willen kopen of een reserve aanhouden voor een kapotte koelkast. Zij willen niet
verrast worden door een daling van de waarde van hun spaarpot door een
plotselinge stijging van de rente en kiezen daarom voor een korte rentelooptijd.
Nu terug
naar het ECB-beleid om lang lopende staatsobligaties op te kopen. Wat is het
effect van dat beleid? De ECB ruilt obligaties met een lange looptijd tegen obligaties
met een korte looptijd, namelijk van nul jaar, in de volksmond ook wel “geld”
genoemd. Voet op het gaspedaal, in de vuilnisbak de notie dat de ECB extra
kapitaal creëert door overheidsobligaties op te kopen. De ECB doet slechts aan
looptijdtransformatie: ze koopt vorderingen met een lange looptijd in ruil voor
vorderingen met een korte looptijd. Waar mensen voor de start van het
opkoopbeleid van de ECB hun vermogen opsloegen in obligaties met een lange
looptijd, doen ze dat nu in een vordering met een korte looptijd, namelijk geld
op hun rekening courant.
Maar brandt
door dit opkoopbeleid van de ECB het geld dan niet in de zakken van die mensen?
Moet het niet op zoek naar een nieuwe bestemming? Ontstaan er daardoor geen
bubbles op de huizenmarkt? Opnieuw, voet op het gaspedaal, in de vuilnisbak dit
idee. Ja, huizenprijzen stijgen doordat de geboortegolf zo massaal spaart voor
zijn pensioen. Die besparingen zoeken overal hun uitweg, niet in de laatste
plaats in vastgoed; vastgoed is nu eenmaal de ideale bewaarplaats voor
overtollig vermogen. De stortvloed aan besparingen drukt de rente en die lage
rente maakt vastgoed aantrekkelijker. Maar als mensen hun geld niet in
obligaties maar in vastgoed wilden steken, dan konden ze dat altijd al doen, simpelweg
door hun obligaties op de markt te verkopen en daarvoor in de plaats een huis
te kopen. Daar hadden ze het opkoopbeleid van de ECB niet voor nodig. Het ECB-beleid
verandert slechts de rentecurve: de lange rente daalt ten opzichte van de korte
rente. Lang lopende obligaties en korte termijndeposito’s zijn perfecte
substituten geworden. Je kunt je kapitaal evengoed “opslaan” op een rekening
courant als in een langlopende obligatie. Voor de rentevergoeding maakt het
allemaal nauwelijks meer uit.
Om beter te
begrijpen wat het effect is van het ECB-beleid is het goed om je te realiseren
dat de overheid de enige aandeelhouder is van de ECB. Alle winst of verlies valt
dus toe aan de overheid, of zo u wilt, aan de belastingbetaler. We kunnen de
balans van de overheid en die van de centrale bank dus consolideren – bij
elkaar optellen – zodat een gemeenschappelijk balans van de bank-overheid ontstaat.
Onderlinge schulden en vorderingen worden dan tegen elkaar weggestreept. Dit
geeft een goed inzicht in het feitelijke effect van het opkoopbeleid van de
ECB. Zij koopt langlopende vorderingen op de overheid en betaalt daarvoor met
kortlopende vorderingen. De overheid heeft een langlopende schuld aan de ECB.
Voor de bank-overheid als geheel vallen onderlinge schulden en vorderingen weg.
Per saldo heeft de bank-overheid door het opkoopbeleid van de ECB zijn schulden
aan de private sector dus kortlopend gefinancierd. Denk terug aan de
voorafgaande analyse van de rentecurve. Kortlopende schulden zijn aantrekkelijk
als de rente gaat dalen, want dan kan de schuld later goedkoper worden
geherfinancierd. Omgekeerd zijn langlopende schulden aantrekkelijk als de rente
gaat stijgen, omdat dan langer van de huidige lage rentestand kan worden
geprofiteerd. Door het opkoopbeleid van
de ECB heeft de bank-overheid, en dus de belastingbetaler, het risico op zich genomen
dat de rente plotseling zal stijgen. In feite spreekt de ECB met het
opkoopbeleid dus de verwachting uit dat de rente nog lang laag zal blijven.
Niets meer, maar ook niets minder.
We moeten
nog een laatste stap zetten om te begrijpen wat er feitelijk aan de hand is: de
Onvermijdelijke Wet van het Dubbel Boekhouden: tegenover iedere vordering moet
een schuld staan. Een vordering is niets anders dan een claim op de toekomstige
productie. Tegenover de claim op de toekomstige productie van de één moet
iemand anders staan die bereid is die productie in de toekomst daadwerkelijk te
leveren. Per saldo willen de huidige generaties in private sector veel claims
op de toekomstige productie aanhouden om later van hun pensioen te kunnen
genieten. De enige partij die de verplichting op zich kan nemen die claims te
leveren, is de bank-overheid. Die kan die claim op zich nemen, omdat zij in de
toekomst altijd belasting kan heffen om die verplichting na te komen. Zij
levert die claim in twee vormen, in korte looptijden in de vorm van tegoeden
bij de ECB, en in lange looptijden in de vorm van langlopende
overheidsobligaties.
Het
opkoopbeleid van de ECB heeft er dus toe geleid dat de bank-overheid als geheel
zijn verplichtingen aan de private sector kortlopend heeft gefinancierd.
Daarmee is het risico op een rentestijging bij de belastingbetaler komen te
liggen. De bank-overheid is in de huidige situatie niet bereid om een
risicopremie te betalen om het risico op een toekomstige rentestijging af te
dekken, blijkbaar omdat de centrale bank verwacht dat de rente voorlopig laag
zal blijven. Vooralsnog heeft de ECB daarin groot gelijk, want ondanks de lage
rente staan beleggers in de rij voor overheidsobligaties en korte termijndeposito’s
bij de centrale bank.
De vraag
waar de Europese bank-overheid het komend jaar voor staat is hoe ze willen
omgaan met die aanhoudend grote vraag naar claims op de toekomstige productie.
Gaat zij door de omvang van die claims te proberen terug te dringen door middel
van nog lagere rentes? Of is zij bereid de corresponderende verplichting op
zich te nemen door een hogere overheidsschuld aan te gaan? Het zou me niet
verbazen als de grenzen van negatieve rentes zijn bereikt. Dan is een hogere
overheidsschuld de enige uitweg.
Coen Teulings, 6 september 2019