HOME / COLUMNS / Een korte sociale geschiedeni…

COLUMNS / 8 maart 2019

Een korte sociale geschiedenis toont ons dat Nederland een nieuwe toekomstvisie nodig heeft

Tegenwoordig noemen we dit de neo-liberale agenda.

‘Nederland is een teer vaasje’, liet premier Rutte ons in december via een advertentie in het AD weten. En gelijk heeft hij, want het gaat uitstekend. Nederland is één van de meest welvarende landen ter wereld is, welvarender dan Duitsland, Frankrijk of het Verenigd Koninkrijk. Het onderwijs en de gezondheidszorg zijn hier prima, de publieke infrastructuur ligt er patent bij. Het onderlinge vertrouwen is — net als in Scandinavië — hoog. En ondanks alle aandacht voor de inkomens- en vermogensverschillen, valt dat in ons land erg mee. Onlangs heb ik laten zien dat het aandeel van topinkomens bijna nergens zo klein is als juist hier. Ook de allerrijksten zijn in Nederland lang niet zo rijk als elders in de wereld. Waarom is Nederland welvarend, gelukkig, en tegelijk relatief gelijk? Een populaire economische theorie suggereert immers dat welvaart en gelijkheid moeilijk met elkaar verenigbaar zijn. Een korte sociale geschiedenis van de afgelopen halve eeuw biedt houvast. Ik ben inmiddels oud genoeg om die periode persoonlijk te hebben meegemaakt. Voor jongere generaties is die kennis echter minder vanzelfsprekend. Ons geschiedenisonderwijs laat het recente verleden liefst onaangeroerd.  

DIEPE CRISIS

In de jaren zeventig van de vorige eeuw ging de wereldeconomie door een diepe crisis. De economie was sinds de Tweede Wereldoorlog sterk gegroeid. Aan die groei kwam in 1975 abrupt een einde. De Yom Kippur-oorlog, in 1973, tussen Israël, Syrië en Egypte had geleid tot een drastische stijging van de olieprijzen. De vakbonden probeerden de hogere energiekosten te compenseren via hogere looneisen. Werkgevers berekenden die hogere lonen weer door in hun prijzen, met een oplopende inflatie als gevolg. De winsten van het bedrijfsleven stonden onder druk. Economen zochten naar een uitweg. Dit probleem speelde in bijna alle rijke landen. Nederland had daar bovenop nog een eigen probleem: Slochteren. De aardgasinkomsten stroomden binnen. Premier Joop den Uyl (PvdA) had een duidelijke boodschap wat hij met dat geld ging doen: leuke dingen voor linkse mensen, met name een ruimhartige arbeidsongeschiktheidsverzekering WAO. Rond 1985 zat van het arbeidsaanbod één op de zeven mensen met een WAO-uitkering thuis. Het probleem stond internationaal bekend als de ‘Hollandse ziekte’: de aardgasrijkdom stuwde de lonen, waardoor gewone bedrijven het hoofd niet meer boven water hielden. Veel jongeren beschouwden de bijstand als een basisinkomen. Waarom nog werken, bijstand was toch een recht? Rond 1982 was de Nederlandse economie vastgelopen. Juist toen trad het eerste kabinet van Ruud Lubbers aan, van VVD en CDA. Tegelijkertijd werd de Republikein Ronald Reagan president van de Verenigd Staten. Margaret Thatcher van de conservatieve partij was premier van het Verenigd Koninkrijk. Deze drie regeringen deelden de overtuiging dat de sociale verhoudingen waren vastgelopen. Ze zetten in op een grootscheepse verbouwing van hun land. De VS kenden hierop de staking van de luchtverkeerleiders. Engeland kende met de mijnstaking, anderhalf jaar lang, een van de meest bittere arbeidsconflicten ooit. En Nederland lag twee maanden plat, omdat ambtenaren staakten tegen loonsverlaging. 

REDELIJK COMPROMIS

In de VS en het VK sloegen de stakingen diepe wonden. In Nederland won echter het redelijke compromis. Wim Kok sloot namens de FNV het Akkoord van Wassenaar met de werkgevers. De uitkeringen werden verlaagd, waardoor werken weer aantrekkelijk werd. De bijstand bleef een recht, maar kwam met de plicht om zo snel mogelijk weer op eigen benen te staan. Tegenwoordig noemen we dit de neo-liberale agenda. Het was een groot succes. De werkgelegenheid groeide als kool. De werkende vrouw deed haar intrede. Ondernemers werden niet langer verguisd, maar kwamen in hoog aanzien te staan. Ze brachten Nederland werk en welvaart. De zwaar bevochten verkiezingsuitslag van 1986 liet ‘Lubbers zijn karwei afmaken’, zoals de verkiezingsleus van het CDA de kiezer had gevraagd. Het beleid had niet alleen in Nederland succes. Overal lieten de rijke landen de stagnatie van de jaren zeventig achter zich. Hun economieën groeide voorspoedig, maar vaak ten koste van een hoge sociale prijs. Noord-Engeland werd na de mijnsluiting een industrieel kerkhof, het thuisland van de huidige brexitaanhang. Inkomensverschillen begonnen te groeien, met name in de VS. Zelden heeft de wereld een grotere ongelijkheid gezien als thans in de VS. De onvrede over de neo-liberale agenda wordt daardoor gevoed, volstrekt begrijpelijk. Maar juist op dit punt wijkt Nederland dus af. Afgezien van de forse toename in de eerste helft van de jaren tachtig van het verschil tussen lonen en uitkeringen, zijn de inkomensverschillen in Nederland min of meer stabiel. Waar dat precies aan ligt? Allerlei instituties hebben daarbij geholpen. Maar het echte vaasje is het Akkoord van Wassenaar: het zoeken naar het redelijk compromis. Wat kunnen we hiervan leren? Dat we zuinig moeten zijn op dat vaasje: de ondernemersgeest, de bereidheid tot samenwerken, leren van de rest van de wereld, de concurrentie aandurven. De huidige politieke insteek van ‘Netherlands first’, de rancune tegen zakkenvullende bankiers, moslims en Fransen, en de afgunst over een ‘witte wijn drinkende elite’ gaan daar lijnrecht tegenin. Is er prudentie met het vaasje? Welnee, alle politici staan er met hun schoenen op te stampen. Beste Mark, ik verlang zo naar een visie op Nederland.

Coen Teulings, 8 maart 2019