HOME / COLUMNS / Een investeringsfonds is een…

COLUMNS / 20 september 2019

Een investeringsfonds is een goed idee, maar gebruik het geld voor de burgers om te consumeren

Er is een alternatief, dat echter tegen onze intuïtie ingaat: niet investeren, maar meer consumeren

Prinsjesdag 2019 stond in het teken van Wopke Hoekstra’s nieuwe investeringsfonds. ‘Er komen tientallen miljarden in het investeringsfonds’, zo liet hij weten. Dit houdt de gemoederen bezig, niet alleen in eigen land. Mario Draghi maakte er in zijn laatste speech als voorzitter van de Europese Centrale Bank (ECB) gewag van. Waar Nederland meestal bezorgd reageert als landen aankondigen hun uitgaven te verhogen, daar reageren andere landen juist verheugd op de Nederlandse plannen. Los van de aankondiging van de vele miljarden die erin zullen worden afgestort, tasten we echter nog in het duister over de vormgeving van het fonds. Wordt het geld nu geleend en dan op een spaarrekening gezet (dat is tegenwoordig duur, vraag dat maar aan bankiers)? Welke uitgaven mogen eruit worden gedekt? Komen die miljarden op de begroting van de vakdepartementen te staan? Of wordt hierover apart besloten? Het definitieve antwoord vergt een breder maatschappelijk debat. Hoekstra lijkt op dit moment vooral een discussie te willen losmaken. Een uitgewerkt plan had die discussie doodgeslagen. Dus terug naar het startpunt: de aanleiding voor dit nieuwe fonds. Er wordt wereldwijd (te)veel gespaard, met name ten behoeve van ons pensioen. Daardoor is de rente sterk gedaald; hij is nu veel lager dan de groei van ons nationaal inkomen. Die besparingen zijn zo groot dat de private sector niet langer in staat is om ze te beleggen in renderende projecten. Vroeg of laat wordt het dan aantrekkelijker dat de overheid dat geld zelf besteedt. 

HOOG RENDEMENT

De natuurlijke reflex is om het niet te besteden aan lopende uitgaven, maar om het te investeren. Immers, de private sector spaart om er later de pensioenen mee te kunnen betalen. Dan kan het geld het beste worden geïnvesteerd in projecten met een hoog rendement, waarmee later die pensioenen kunnen worden betaald. Als je het geld nu uitgeeft aan lopende uitgaven, dan heb je er later niks aan. Op zichzelf is er met deze redenering niks mis. Neem bijvoorbeeld de versterking van onze zeewering. Door de onvermijdelijke stijging van de zeespiegel is dat vroeg of laat nodig. Vroeger kon je die uitgaven beter zo lang mogelijk uitstellen. Immers, door de zeewering vijf jaar te vroeg te versterken, haalde je jezelf vijf jaar lang nodeloos extra rente op de hals. Nu de rente negatief is geworden geldt die logica omgedraaid: door nu te investeren in een betere zeewering, hoeft dat later niet meer. Op die manier levert een versterking nu een rendement op omdat Hoekstra zichzelf (en dus ons) de negatieve rente over zijn spaartegoed bespaart. De negatieve rente is dus een beloning voor nu vast investeren. Er is echter een probleem. Als de private sector onvoldoende goed renderende investeringsprojecten heeft, dan heeft de publieke sector onvermijdelijk hetzelfde probleem. Door niet de private, maar de publieke sector de investeringen te laten doen, worden die investeringen meestal niet rendabeler, zo leert de ervaring. Door de ruime beschikbaarheid van spaargeld komen vanzelf minder renderende projecten op snee. In deze krant werd al gepleit voor ‘Schiphol in Zee’ en ‘De Zuiderzeelijn’, twee miljarden verslindende projecten waarvan al jaren bekend is dat zij niet of nauwelijks renderen. Wopke Hoekstra kan dus een stroom hobbyprojecten tegemoetzien, die te weinig renderen om de toekomstige pensioenen mee te betalen. Er zijn best wel lucratieve projecten op de plank blijven liggen door geldgebrek, maar onvoldoende om tientallen miljarden aan te kunnen spenderen. Er is een alternatief, dat echter tegen onze intuïtie ingaat: niet meer investeren, maar meer consumeren, bijvoorbeeld via lastenverlichting. Nu de rente lager is dan de groei van ons nationaal inkomen kunnen we ‘verdienen’ op onze staatsschuld. Als we die schuld even hard laten groeien als ons nationaal inkomen, dan is de toegestane groei van de schuld groter dan de jaarlijkse rentelast. Dat verschil kunnen we bij wijze van spreken kosteloos consumeren. Eerder heb ik in deze krant laten zien dat de minister van Financiën met iedere staatsobligatie feitelijk een verzekering verkoopt, namelijk een gegarandeerde toekomstige aflossing. Anders dan bijna alle andere marktpartijen kan hij die garantie bieden, omdat hij in geval van nood extra belasting kan heffen om aan zijn verplichtingen te voldoen. Beleggers — niet in de laatste plaats onze pensioenfondsen — staan voor die verzekering in de rij. Zij willen daar graag een verzekeringspremie voor betalen. Een hogere staatsschuld betekent dat Wopke Hoekstra meer verzekeringspremie ontvangt, die hij vervolgens via lastenverlichting aan de burger kan teruggeven.

MILJOENENNOTA

Is dit een revolutionair nieuw idee? Nee, want het staat al in Hoekstra’s miljoenennota. De Nederlandse arbeidsmarkt wordt ernstig ontwricht door de toename van het aantal zzp’ers. Waarom is dat een probleem? Omdat zij de voor loontrekkenden gebruikelijke sociale zekerheid en oudedagsvoorziening ontberen. Hoe komt het dat ondanks deze nadelen de zzp-status toch zo populair is? Omdat het huidige belastingstelsel via de zelfstandigenaftrek zzp’ers bevoordeelt. In de Miljoenennota wordt aangekondigd dat dit voordeel geleidelijk ook voor werknemers gaat gelden, zoals de commissie Borstlap eerder heeft aanbevolen. Dan kunnen de chauffeurs van Uber en de bezorgers van Deliveroo gewoon weer terug in loondienst. Dat kost zomaar een paar miljard. Dat is goed besteed geld. Met dank aan de lage rente.

Coen Teulings, 20-9-2019