HOME / COLUMNS / Populisme staat oplossing…

COLUMNS / 31 mei 2019

Populisme staat oplossing voor marktfalen op gebied van sociale zekerheid in de weg

Markten doen van alles best aardig, behalve zorgen voor goede sociale zekerheid

Een van de dominante krachten achter de golf van populisme die door de westerse wereld trekt is angst: angst voor statusverlies, voor de teloorgang van het avondland, voor het verlies van baan en inkomen, voor de gele horde uit het oosten, en dat je kinderen het niet meer zo goed zullen hebben als jijzelf. De natuurlijke reactie is wantrouwen tegen de boze buitenwereld; het is geen stijl, het zijn zakkenvullers, die er vandoor gaan met onze centen. En dus trekken we ons terug achter onze dijken. We zetten een hek om ons land, indachtig de oude wijsheid: hoge schuttingen maken goede buren. Die angst is begrijpelijk, sterker nog, hij is in sommige opzichten terecht. De neo-liberale revolutie van de jaren tachtig van de vorige eeuw — van Thatcher, Reagan, maar bovenal Deng Xiaoping in China, en in eigen land Ruud Lubbers — heeft de wereld een onvoorstelbare welvaart gebracht. Grenzen zijn weggevallen. China en India, waarvan de inwoners samen veertig procent van de wereldbevolking uitmaken, zijn volwaardig lid geworden van de wereldgemeenschap. Grosso modo heeft iedereen daarvan geprofiteerd. Het Westen omdat China alles voor een appel en een ei voor ons heeft gemaakt. En China omdat werken tegen een laag loon in de industrie altijd nog meer opbracht dan hun onproductieve landbouw. Het kapitalisme heeft opnieuw laten zien waar het toe in staat is. Het heeft echter ook opnieuw zijn achilleshiel getoond: markten doen van alles best aardig, behalve zorgen voor goede sociale zekerheid. Daar schiet het marktmechanisme schromelijk tekort. Het populistische drama is dat dit populisme een oplossing voor dit marktfalen juist onmogelijk maakt. 

AVERECHTSE SELECTIE 

Waarom werkt de markt voor verzekeringen niet? Kijk naar uzelf. Heeft u een aanvullende verzekering voor ziektekosten? Sommigen wel, velen niet. Hoe beslist u om een aanvullende verzekering te nemen? U kijkt naar de verwachte kosten die door zo’n verzekering worden gedekt en naar de premie. Als de verwachte kosten meer zijn dan de premie, dan neemt u die verzekering. Anders niet. Een normale menselijke kosten-batenanalyse. Maar bekijkt u het nu vanuit het perspectief van de verzekeraar. Die weet hoe zijn klanten denken. Alleen diegenen met hoge verwachte kosten worden klant. Liefst zou de verzekeraar iedere klant een eigen premie in rekening brengen afgestemd op de verwachte kosten van die klant. De verzekeraar weet echter niet wat voor iedere individuele klant de verwachte kosten zijn. En dus moet voor alle klanten de premie omhoog. Het gevolg van een hogere premie is dat nog meer mensen met relatief lage kosten zullen besluiten om dan maar geen verzekering te nemen. Alleen voor de mensen met de allerhoogste kosten loont dat nog. Dus moet de premie nog verder omhoog, waardoor nog meer mensen van verzekering afzien. Dit mechanisme staat in de economie bekend als averechtse selectie, voor het eerst beschreven in 1970 door de Nobelprijswinnaar George Akerlof in zijn beroemde artikel The Market for Lemons. Wij hebben allemaal een afkeer van ongedekte risico’s. Wij willen ons daar graag tegen verzekeren, maar zijn ook allemaal bang dat we daarmee meebetalen voor de zieke, zwak en misselijke buurman. Als iedereen met de verzekering mee zou doen, dan waren die extra kosten makkelijk te dragen. Maar je moet niet naïef zijn. Een hele groep mensen heeft al eerder besloten geen verzekering te nemen. Moet jij dan als enige wel aan die kosten meebetalen? Bovendien: heeft die buurman die hoge kosten ook niet aan zichzelf te danken? Ondanks onze afkeer van risico’s eindigen we zo in wereld zonder sociale verzekering. 

GEKKE HENKIE

De oplossing voor dit probleem is simpel: een verplichte, collectieve verzekering. Dan hoeft niemand zich af te vragen of hij niet als enige gekke Henkie meebetaalt aan de kosten voor ziek, zwak en misselijk. Deelname is verplicht, solidariteit — als u het zo wilt noemen — wordt wettelijk afgedwongen. Na de Tweede Wereldoorlog, in de sfeer van optimisme die er toen hing, was dat mogelijk. Ondanks de Grote Depressie van de jaren dertig was de Engelse econoom William Beveridge ervan overtuigd dat markten de beste kans op de groei van welvaart en welzijn boden. Maar hij had ook oog voor het falen van de markt voor sociale zekerheid. Zijn plan met verplichte sociale verzekeringen was de blauwdruk voor opbouw van de naoorlogse verzorgingsstaat, met al zijn gebreken, maar toch vooral met zijn enorme succes. 

WANTROUWEN

Die sfeer van optimisme is verdwenen, het onderling wantrouwen kwam daar voor terug. Je ziet het bij de discussie over pensioenfondsen, waarbij wij geen risico’s tussen generaties willen delen maar allemaal een eigen individuele potje schijnen te willen, om zeker te weten dat ons zuurverdiende premiegeld niet wordt gebruikt voor iemand anders. Je ziet het terug bij de discussie over verplichte werknemersverzekeringen, waar zzp’ers niet aan willen deelnemen uit angst mee te betalen voor de werkloosheid of arbeidsongeschiktheid van een ander. En je ziet dat bij de discussie over een Europese begrotingsfonds, waarbij wij ondanks de ervaring van de afgelopen tien jaar toen Nederland en de EU nodeloos door een diepe recessie gingen, toch geen conjunctuur- verzekering willen uit angst mee te betalen voor het zieke, zwakke, en misselijke Italië. Dat is het populistische drama: onderling wantrouwen blokkeert een oplossing van de onzekerheid die aan dat wantrouwen ten grondslag ligt. 

Coen Teulings, 31 mei 2019