HOME / COLUMNS / Laat informatietechnologie…

COLUMNS / 17 mei 2019

Laat informatietechnologie en monopolies niet de internationale concurrentie verder uithollen

Dankzij globalisering is sinds 2000 het vermogen van Charlene Heineken verdrievoudigd

De allerrijksten op deze wereld zijn de afgelopen de twintig jaar nog rijker geworden. In 2000 bezaten de vijftien rijkste wereldburgers volgens het blad Forbes $350 mrd. In 2018 is het vermogen van de vijftien rijksten gestegen naar $1000 mrd, bijna drie maal zo veel. Vanzelfsprekend zijn dat nu niet dezelfde personen als achttien jaar eerder. Jeff Bezos en Mark Zuckerberg zijn respectievelijk nummer één en vijf op de lijst waar ze in 2000 nog niet op stonden. De wereldwijde economische groei is natuurlijk een belangrijke verklaring voor de groei van topvermogens. De wereldeconomie is sinds 2000 verdrievoudigd. Tegelijk is de wereldbevolking met 20% toegenomen. Voor een goede vergelijking zou je dus het vermogen van de rijkste twaalf uit 2000 moeten vergelijken met de rijkste vijftien van nu. Na deze correcties is het vermogen van de allerrijksten nog altijd zo’n 20% sneller gestegen dan de wereldeconomie. Waarom zijn rijkste 0,0000002% van de wereldbevolking (1 op 500 miljoen mensen) vandaag de dag zoveel beter af? Met een timmermansoog wil ik twee verklaringen beproeven: globalisering en informatietechnologie. Dani Rodrik’s geruchtmakende boek Has Globalisation Gone Too Far? uit 1997 vroeg indertijd terecht aandacht voor de maatschappelijke gevolgen van globalisering. De oude economische wijsheid was dat internationale handel op langere termijn een ieder tot voordeel strekte. Het boek van de econoom reflecteerde de toenemende twijfel aan dit dogma. De theorie van Mark Melitz van Harvard University biedt een goed kader om over het verband tussen globalisering en vermogensongelijkheid na te denken. Econoom Melitz laat zien dat juist de bedrijven met de sterkste merken van globalisering profiteren. Alleen zij kunnen zich invechten in een ander land. Dit fenomeen zorgt dat wereldwijd de concurrentie toeneemt waardoor winstmarges en dus de winsten onder druk komen te staan. Dit ten gunste van consumenten overal ter wereld. Globalisering zou dus niet tot hogere, maar tot lagere winstmarges moeten leiden en dus tot kleinere topvermogens bij hun eigenaren. Dat klopt ook voor de oude nationale kampioenen die niet sterk genoeg zijn om te kunnen exporteren. Zij zien dat hun winstmarges onder druk komen te staan door de toegenomen internationale concurrentie. De zwakste onder hen hebben zelfs hun deuren moeten sluiten. Het zou me niet verbazen als dit fenomeen de steun van een deel van de Engelse elite voor brexit verklaart: terug naar het oude Engeland zonder internationale concurrentie, met hogere winstmarges voor het lokale bedrijfsleven. Maar let wel: ten koste van de Engelse consument. 

REVOLUTIE 

Ook de sterkste merken hebben last van de concurrentiedruk op hun winstmarges. Voor hen staat daar echter een voordeel tegenover: de globalisering geeft toegang tot nieuwe afzetmarkten. Neem Bernard Arnault, nummer vier op de wereldranglijst rijkaards en eigenaar van LVMH (Louis Vuitton Moet Hennessy). Hij was onlangs in het nieuws vanwege zijn genereuze gift voor de restauratie van de Notre Dame. Zijn vermogen is sinds 2000 verzesvoudigd. Globalisering heeft hem in staat gesteld zijn luxe tassen, zijn champagne en cognac in China en India te verkopen. Dat geldt ook voor de rijkste Nederlander, Charlene Heineken. Zij is nummer 86 op de wereldranglijst, haar vermogen is sinds 2000 verdrievoudigd, dankzij de globalisering. Maar globalisering verklaart zeker niet alles. Informatietechnologie heeft de concurrentieverhoudingen in de wereld onderste boven gegooid. Platforms als Google en Facebook hebben een ongekende marktmacht. Ik zoek op Google omdat alle informatie daar te vinden is. Ik zorg dat mijn informatie op Google te vinden is omdat iedereen daar zoekt. Dat maakt Google en Facebook nagenoeg immuun voor concurrentie. Door IT zijn de winstmarges van een klein aantal bedrijven explosief gestegen, zoals de Belgische economen Jan Eeckhout en Jan de Loecker, hebben aangetoond. Precies het omgekeerde van het effect dat je van globalisering mag verwachten. Deze revolutie laat haar sporen in de top vijftien van de allerrijksten na: vier van hen hebben hun vermogen sinds 2000 met IT verdiend, via Google, Facebook en Amazon. Ik laat het ‘oude’ Microsoft vermogen van Bill Gates buiten beschouwing. Als deze vier niet zo goed hadden geboerd, dan was het totale vermogen van de top vijftien $125 mrd kleiner geweest. De IT-revolutie verklaart meer dan de helft van de groei van de topvermogens. 

LAWAAI 

Wat kunnen we hiervan leren? Ten eerste dat globalisering heeft geleid tot een herverdeling binnen het grootkapitaal ten gunste van de allerrijksten, maar dat grosso modo ook de rest van de wereld heeft geprofiteerd door meer concurrentie en lagere winstmarges. Ten tweede dat IT de concurrentie juist heeft uitgehold. Dat is een gevaar waar de mededingingsautoriteiten overal ter wereld dringend iets aan moeten doen. Door effectief lobbywerk van grote bedrijven is het antimonopoliebeleid in de Verenigde Staten echter een tandeloze tijger geworden. In de Europese Unie staat het nog fier overeind. Het is goed dat het Nederlandse kabinet zich bij monde van ministers Eric Wiebes en Sigrid Kaag heeft verzet tegen pogingen van Frankrijk en Duitsland en van de Europese Ronde Tafel van Industriëlen om het concurrentiebeleid van de EU om zeep te helpen. Nog meer Nederlands lawaai in Brussel zou hier een zege zijn. 

Coen Teulings, 17 mei 2019