HOME / COLUMNS / Hoekstra verdedigde dapper…

COLUMNS / 16 december 2018

Hoekstra verdedigde dapper het standpunt van de Hanze-groep, maar vergat het Nederlandse belang

Met een gezamenlijke eurozonebegroting was het herstel na de crisis een stuk eenvoudiger geweest

Wat is het Nederlandse belang? Die vraag moet door Wopke Hoekstra’s hoofd hebben gespeeld toen hij begin december in Brussel onderhandelde over een begroting voor de eurozone. De minister van Financiën verkoos daar fel op tegen te zijn, en leidde met dat standpunt een alliantie van acht kleinere eurolanden, ook wel bekend als de Hanze-groep. De discussie gaat terug tot de onderhandelingen over het verdrag van Maastricht in 1991. De muur was gevallen. Duitsland zou herenigd worden en zich meer op het oosten richten. Zowel Duitsland als Frankrijk wilde voorkomen dat Duitsland zich van West-Europa zou afwenden, en een gemeenschappelijke munt was daartoe het middel. Economen waarschuwden onmiddellijk dat een muntunie zonder begrotingsunie een recept voor ellende is. Zonder gemeenschappelijke begroting om risico’s te delen zou de muntunie in crisistijd in problemen raken. Maar de landen van de EU wilden zelf blijven beslissen hoeveel geld ze overhadden voor gezondheidszorg, onderwijs en oudedagsvoorzieningen. Dus werd de zeggenschap over hun begrotingen niet aan Brussel overgedragen. Het onderlinge wantrouwen was bovendien toen al groot. De angst was toen al dat een begrotingsunie zou uitdraaien op een transferunie met een permanente geldstroom van Noord naar Zuid. En dus ging de muntunie zonder begrotingsunie van start. De onderhandelaars waren zich bewust van de risico’s. Zij speculeerden erop dat dit probleem zou worden opgelost als de nood aan de man kwam.

 

RENTEVERSCHILLEN 

Welnu, de nood kwam aan de man. Tijdens de hoogtijdagen van de eurocrisis liepen de renteverschillen tussen de eurolanden snel op. De kredietwaardigheid van landen loopt altijd iets uiteen — soms structureel, vaak door toevallige omstandigheden — maar in tijden van crisis vluchten beleggers naar het veiligste land. Daardoor stijgt de rente in probleemlanden, terwijl die in de veilige landen daalt. De problemen van landen in moeilijkheden worden daardoor alleen maar erger. Het Verenigd Koninkrijk, zwaar getroffen door de kredietcrisis vanwege zijn grote financiële sector, kon destijds aan die problemen ontsnappen doordat het geen lid was van de muntunie. Door de devaluatie van het pond werd de Britse schuld in euro’s uitgedrukt kleiner, dus makkelijker af te lossen. Frankrijk en ook Spanje stonden er indertijd financieel zeker niet slechter voor dan het Verenigd Koninkrijk. Maar zij hadden als lid van de muntunie geen mogelijkheid te devalueren. Dus zagen zij het renteverschil met Duitsland en Nederland oplopen. Waar de rentelast van de Britten omlaag ging, nam hij voor Spanje en Frankrijk juist toe. Een muntunie is in dit opzicht net een peloton fietsers. Niemand wil in de wind fietsen, iedereen schuilt graag achter de rug van een ander. Evenzo de landen van een muntunie: geen land wil de wind van de financiële markten vol in het gezicht. Dus kruipt elk land naar een veilig plekje achter in het peloton. Uit voorzorg, want je weet nooit of je per vergissing toch op kop komt. In de eurozone is in die cruciale jaren daardoor te veel bezuinigd: de financieringstekorten waren in de eurozone gemiddeld lager dan elders in de wereld (niet hoger, zoals vaak wordt gedacht). Ook Nederland heeft in die periode mede zoveel bezuinigd om te voorkomen dat het in de kop van het peloton zou komen. Was er een gemeenschappelijke eurozonebegroting geweest waarin risico’s werden gedeeld, dan waren de lidstaten niet collectief naar de nooduitgang gevlucht en was het herstel in de eurozone een stuk eenvoudiger geweest.

 

GEMEENTEN

Wat geldt voor de verhouding tussen de eurolanden geldt precies zo voor de gemeenten van Nederland. Ons land is één grote transferunie tussen gemeenten, via de belastingen en de uitkeringen aan gemeenten vanuit het Gemeentefonds. Sommige gemeenten zijn nettobetaler, anderen netto-ontvanger. Voor sommige gemeenten is dat laatste tijdelijk. In Amsterdam sprak toenmalig wethouder van financiën Wim Polak ooit de gedenkwaardige woorden: ‘Wie ben ik dat ik zo’n groot tekort mag beheren?’ Later vroeg de stad zelfs de artikel 12 -status aan voor extra steun aan armlastige gemeenten. Inmiddels gaat het de hoofdstad voor de wind. De steun uit de jaren zeventig is voor Nederland dus een goede investering geweest. Dat kan ook anders gaan. Sinds de sluiting van de mijnen heeft Heerlen financiële problemen. Al die jaren heeft de stad netto transfers ontvangen uit het Gemeentefonds. Niemand die erover klaagt. Gelukkig hebben de onderhandelaars van het verdrag van Maastricht gedeeltelijk gelijk gekregen. Toen de nood aan de man kwam, zijn er ondanks het onderlinge wantrouwen regelingen getroffen. Ierland, Spanje en Portugal ontvingen tijdelijke steun. Zij staan er nu weer prima voor, met name Ierland. Deze landen zijn op de langere termijn beschouwd sowieso drie Europese succesverhalen. Spanje en Portugal zijn pas sinds 1975 de weg naar democratie in geslagen. Rond 1980 was Ierland het armste land van de EU. Alle drie hebben sindsdien een stormachtig ontwikkeling doorgemaakt. Dit succes was alleen mogelijk dankzij de steun van de EU. Dat bood exportkansen, en daar hebben alle lidstaten van geprofiteerd. Wopke Hoekstra heeft zich in Brussel standvastig verzet tegen een transferunie. Daarvoor hulde. Maar is dat verzet echt in het Nederlandse belang? Had exportland Nederland tijdens de crisis niet veel meer belang gehad bij een spoedig herstel van de eurozone als geheel? Dat behoeft misschien nadere reflectie.

 

Column FD 14 december 2018