HOME / COLUMNS / Als Nederland internationale…

COLUMNS / 5 oktober 2018

Als Nederland internationale topuniversiteiten wil moet het kabinet hoger collegegeld toestaan

Studeren in het buitenland wordt steeds gewoner. In Nederland is het aantal buitenlandse studenten de afgelopen 10 jaar verdrievoudigd. Inmiddels komt één op de zes studenten van buiten ons land. In Denemarken, Zweden, Duitsland, Frankrijk, België is het beeld niet anders. Mede hierdoor stijgt het aantal studenten snel, sneller dan het geld dat de overheid ter beschikking stelt. Vroeg of laat keert de wal het schip. Het is dus tijd voor bezinning.

De internationalisering van het hoger onderwijs is een wereldwijd verschijnsel. De Verenigde Staten zijn de koploper in deze markt. Het Amerikaanse hoger onderwijs is de afgelopen decennia dramatisch veranderd. Er zijn vier belangrijke trends. Ten eerste zochten rond 1950 de meeste Amerikaanse studenten hun alma mater nog dicht bij het ouderlijk huis. Harvard aan de oostkust en Stanford aan de westkust hadden ieder hun eigen thuismarkt. Die tijd is voorbij. Tegenwoordig vissen beide universiteiten in dezelfde vijver, ook al liggen ze duizenden kilometers uit elkaar.

Ten tweede zijn de verschillen tussen de studentenpopulaties van universiteiten sterk toegenomen. De universiteiten met de beste reputatie trekken de beste studenten, de subtoppers trekken de subtop van de studenten, enzovoort.

Ten derde zijn de uitgaven aan onderwijs tussen universiteiten steeds verder uiteen gaan lopen. De beste universiteiten geven veel meer uit dan het gemiddelde, tot wel honderdduizend dollar per student per jaar. Een Nederlandse universiteit geeft ongeveer tienduizend euro uit. Omdat de beste studenten in Amerika bij de beste universiteiten studeren, wordt er dus voor de beste studenten veel meer geïnvesteerd in het onderwijs dan voor de gemiddelde student en veel meer dan in Nederland.

Tot slot zijn de verschillen in het “officiële” collegegeld tussen universiteiten sterk toegenomen. Een topuniversiteit kost tegenwoordig rond zestig duizend dollar per jaar, nog steeds veel minder dan de kosten. Overigens is het feitelijk collegegeld gemiddeld veel lager, omdat alleen studenten met welgestelde ouders het volle pond betalen. Voor zeer getalenteerde studenten uit de achterbuurten van Chicago is een topuniversiteit nagenoeg gratis.

Al deze ontwikkelingen vloeien logisch voort uit de kenmerken van de markt voor hoger onderwijs. Studenten gaan naar de universiteit, enerzijds om wat te leren, en anderzijds omdat het logo op de examen-bul van een goede universiteit het toegangskaartje is tot de best betaalde banen. Wie toegang krijgt tot Harvard en vervolgens de studie met goed gevolg afrond moet in de ogen van potentiele werkgevers wel het neusje van de zalm zijn. Studenten streven er dus naar om op de best mogelijke universiteit te worden toegelaten. Dat leidt als vanzelf tot een uitsortering van de beste studenten naar de beste universiteiten. Omdat een topuniversiteit leidt tot een goedbetaalde baan, zijn de studenten bereid daarvoor veel te betalen en ver te reizen. Dus hebben die universiteiten een ruim budget, waardoor ze het beste onderwijs kunnen aanbieden, waarmee ze hun reputatie in stand kunnen houden. Een topuniversiteit bewaakt zijn reputatie dus als een leeuw. Hoewel alle topuniversiteiten niet winstgerichte instellingen zijn, is de onderlinge concurrentiedruk daardoor groot. En omdat een universiteit alleen top is als zij ook de allerbeste studenten trekt –dat wil zeggen: niet noodzakelijkerwijs de studenten met rijke ouders- is er een uitgebreid systeem van beurzen en kortingen op het collegegeld voor briljante studenten met minvermogende ouders. Het is een zelfversterkend proces: goede reputatie, dus goede studenten en hoog collegegeld, dus veel geld voor goed onderwijs, en dus een goede reputatie. Dit proces heeft de afgelopen 40 jaar tot een steeds verdere differentiatie tussen universiteiten geleid. Vanuit het gezichtspunt van de student blijkt het collegegeld van een topuniversiteit een goed renderende investering te zijn.

Vergelijk dit met de situatie in de EU. Van de beste 20 universiteiten op de bekende Shanghai ranglijst zijn er 16 Amerikaans, drie Brits en één Zwitsers. Na Brexit heeft de EU dus geen enkele universiteit in de top 20. Bij de top 40 is het beeld nauwelijks anders: slechts twee zijn afkomstig uit de EU (de Sorbonne en Kopenhagen). De sterke groei van het aantal internationale studenten in de EU wijst erop dat de trends in de Verenigde Staten van de afgelopen 40 jaar zich de komende jaren in de EU zullen voordoen. De beste studenten gaan op zoek naar de beste universiteiten. Een Europese topuniversiteit zal per student meer aan onderwijs moeten uitgeven om zijn reputatie te kunnen waarmaken, maar kan daarvoor dan ook een hoger collegegeld vragen.

Nederland heeft goede papieren om aan deze race mee te doen. Maar geeft Den Haag de universiteiten daarvoor de ruimte? De politiek heeft kamerbreed (inclusief onderwijspartij D66) duidelijk gemaakt dat er niet meer geld op tafel komt. Je kunt dat kortzichtig noemen (investeringen in universitair onderwijs renderen immers goed), maar je kunt er ook begrip voor hebben: veel kiezers hebben de zorg hoger op hun prioriteitenlijstje staan. Het extra geld dat nodig is voor de race naar de top moet dus komen uit hogere collegegelden voor het beste onderwijs. Meer geld komt er niet, maar dan zou de politiek de universiteiten moeten toestaan het elders te halen: differentiatie van het collegegeld. De baten van een topuniversiteiten binnen onze landgrenzen zijn hoog. Het succes van Boston is daarvan het levende bewijs. Het zou zonde zijn als Nederland die kans liet lopen.

Download column